•  
  •  

Inter-, intraklinische overplaatsing

Verantwoording algemeen

Algemeen

VLPA

Het inter- of intraklinisch overplaatsen betreft een inzet ten behoeve van het overplaatsen van een klinische patiënt tussen twee verschillende ziekenhuizen danwel tussen.twee locaties van hetzelfde ziekenhuis. 

MICU-transport

Kennis en inschatting van het ziektebeeld van de IC-patiënt geeft aanleiding te verwachten dat de patiënt de komende uren sterk zal verslechteren. Er is echter geen indicatie van ‘aanvullende spoedbehandeling’. Het MICU-team bestaat uit een intensivist en een MICU-verpleegkundige.

PICU-transport

PICU-transport
een inzet waarbij de te verlenen ambulancezorg de protocollen van de ambulancezorgprofessional overstijgt en waarbij de ambulance-eenheid wordt aangevuld met een kinderverpleegkundige en/of een gespecialiseerde arts. Bij een PICU-inzet is sprake van intensive-care inzet ten behoeve van een patiënt in de leeftijd jonger dan 18 jaar tot aan een pasgeborene.

NICU-transport

een inzet waarbij de te verlenen ambulancezorg de protocollen van de ambulancezorgprofessional overstijgt en waarbij de ambulance-eenheid wordt aangevuld met een neonatologieverpleegkundige en/of een gespecialiseerde arts. Bij een NICU-inzet is sprake van een inzet ten behoeve van een (pasgeboren) baby. De begeleidende arts is over het algemeen een neonatoloog.

 

Spoed-(IC)-overplaatsing

interklinisch transport van een patiënt, waarbij de indicatie van het transport naar een ander ziekenhuis ‘aanvullende spoedbehandeling’ is. Hierbij dient de te verwachten winst van de behandeling dusdanig groot te zijn dat deze opweegt tegen het risico van transport zonder MICU/PICU/NICU. Het uitstellen van het transport voor verdere stabilisatie in afwachting van MICU/PICU/NICU-transport zou daarbij op grond van het ziektebeeld voor de spoedpatiënt onverantwoord zijn.

Het betreft tenminste de volgende ziektebeelden:

  • neurologische inklemming op basis van een acute bloeding (epi-/subduraal     hematoom);
  • acute thoraco-abdominale vaatproblematiek
  • astma cardiale/cardiogene shock op basis van coronairischemie met indicatie voor percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA)
  • refractaire bloeding met extreme hemodynamische instabiliteit met indicatie voor embolisatie door middel van interventie-radiologie

Spoedeisend (IC-)transport op andere indicaties is uitsluitend ter beoordeling aan de regionale MICU-coördinator.

Spoedt IC-transport dient zonder uitstel te worden uitgevoerd met de op dat moment meest optimale middelen en begeleiding. De IC-patiënt wordt bij voorkeur begeleid door een intensivist. Als dat niet mogelijk is, kan de begeleiding worden gedaan een anesthesioloog, KNMG geregistreerde spoedeisende hulp arts of FCCS geschoolde IC-arts. Elk ziekenhuis dient zich op dit type transport voor te bereiden met een protocol spoed IC-transport waarbij regionale of lokale afspraken zijn vastgelegd omwille van  beschikbaar materieel en menskracht.

 

Begeleid IC-transport

Het interklinisch transport van een IC-patiënt, die voldoet aan drie criteria:

  • adequate oxygenatie (arteriële bloedgassaturatie > 98% bij beademinginstelling (spontaan of gecontroleerd) Pmax < 20 cmH2O, FiO2 < 50% en PEEP ≤ 5 cmH2O) met klinisch acceptabele ademarbeid. 
  • gemiddelde bloeddruk > 70 mmHg bij intra-arteriële bloeddrukbewaking  zonder inotropica en/of vullingsbehoefte
  • geen cardiopulmonale resuscitatie in voorafgaande 24 uur

Kennis en inschatting van het ziektebeeld van de IC-patiënt geeft geen aanleiding te  verwachten dat de patiënt de komende uren sterk zal verslechteren. Het ‘begeleid IC-    transport’ wordt begeleid door een IC-arts of intensivist bekwaam in het uitvoeren van IC-transport, aangevuld met de ambulancebemanning;

Het transport kan worden uitgevoerd met een reguliere ambulance, compleet met transportventilator en -monitor inclusief intra-arteriële drukbewaking, transcutane O2-    saturatiemeting en capnografie.

Expert opinion

-

Bronnen

-

V&A

-

Verdieping

-